|

Wie kent niet het gevoel - net na het wakker worden - van een ochtendroes die abrupt wordt verstoord door het besef dat je heel, heel erg moet plassen, alsof je blaas de signalen die in je slaap zijn genegeerd ineens vermenigvuldigd met tien? Het seintje dat via je ruggenmerg omhoog is gekropen naar het Emotioneel Motorisch Systeem waar bepaald wordt of het veilig is om te urineren, is aangezwollen tot een luide alarmbel.
Nooit ben ik mij meer bewust van het plascentrum in mijn hersenstam, als tijdens de ochtendsprint naar het toilet, de allesbeslissende strijd tussen blaasspieren en beheersingstechniek, een enorme krachtinspanning die culmineert in een ongekende ontlading, soms net een paar druppels te laat, alsof je brein op het laatste moment toch nog gefopt wordt door de ijskoude badkamertegels, de voorbode van the place to be.
Het is nu midden op de dag en ik word overvallen door hetzelfde gevoel. Als een dier dat weet dat het van levensbelang is om niet te urineren zit ik verkrampt op de passagiersstoel. We rijden over de D925 van Fécamp naar Cany-Barville, gespitst op geschikte stopplekken, maar de enige parkeerplaatsen zijn boomloze vluchtstroken waar je niet ongezien je plas kan doen, sterker nog, je kunt nooit meer invoegen door het voortjakkerende verkeer, het is een val. Nog geen vijf minuten geleden heb ik gezegd dat een toiletstop niet nodig is, nu train ik mijn blaasspieren als een bodybuilder. De aderen in mijn nek zwellen op, ik word rood, krijg het warm, ga zweten, ik moet NU plassen, maar waar moeten we stoppen? Bij gebrek aan geschikte stopplaats neemt Rosé, op goed geluk, de eerste afslag, Route de Faisans, de fazantenweg, huizen aan weerszijden, waar is het nog verlaten? Na een kilometer zie ik aan de rechterkant van de weg een geschikte plek. We slaan het reigerpad in, Chemin des Hérons. Een meertje, weelderige begroeiing rondom, aan de overkant van het water een huis met rode dakpannen, vakwerk onder de dakoverstek, klimop tegen de muren, een schotelantenne vlak onder de dakgoot, groen voert de boventoon, achter een boom uit het zicht van het huis volgt de ultieme verlichting, alsof ik een ketel met heet water leeg giet nadat ik minutenlang heb gefloten.
Dan zie ik een informatiepaneel. De plek wordt toegelicht. Bizar. Waarom uitleg bij deze totaal willekeurige locatie waar de banaliteit van hoge nood ons bracht? Wat is hier zo bijzonder aan? Het tafereel verdubbelt zich in aquarelverf, hetzelfde meertje, de begroeiing minder weelderig, een huis aan de overkant, maar zonder schotel, Chaumière dans un paysage de Normandie. De plek waar ik zojuist heb geplast hangt in het Louvre in Parijs. Iemand is me voor geweest.
Eugène Delacroix, met Géricault de belangrijkste Franse vertegenwoordiger van de romantiek, heeft in de jaren dertig van de achttiende eeuw enkele zomers in de Abdij van Valmont doorgebracht. Eugène Delacroix, maker van La Liberté guidant le peuple, één van de bekendste schilderijen uit de Franse kunstgeschiedenis, heeft het uitzicht tijdens mijn plaspauze vereeuwigd. Hij heeft zijn territorium vakkundig afgebakend, voordat ik hier arriveerde en een replica van zijn kunnen is op locatie te zien. Mijn enthousiasme over dit hilarische toeval wint het van de teleurstelling dat elke werkelijkheid is verdubbeld in betekenis, dat niets is ontsnapt aan een eerdere blik. Delacroix is geen held voor mij. Veel liever was ik op het eiland Rügen een schilderij van Casper David Friedrich ingewandeld, maar is het niet prachtig om zo direct contact te maken met een voorganger? Mijn plas wordt in één rechte lijn verbonden met de aquareldoos van Delacroix, terwijl de druppels onderweg even opspatten tegen het omgekeerde urinoir van Marcel Duchamp die zijn domein effectief begrensde met een handtekening.
Het gevoel dat iemand me is voor geweest bekruipt me eerder in Normandië. In de eerste plaats ben ik zelf de boosdoener. Ik heb jarenlang een idyllische voorstelling gemaakt van de camping op de krijtrotsen van Yport met dank aan de omschrijving in de ANWB Campinggids kleine campings: ‘La Pature, camping gelegen tussen Fécamp en Etretat op de kliffen met uitzicht op zee.’ Ik zag de camping in Mesnil Val-plage voor me, waar slechts een wandelpad ons scheidde van de rand van de poreuze kliffen. De werkelijkheid is weerbarstiger en wordt ingekleurd met details die ik niet had kunnen verzinnen. La Pature is een fraaie camping, maar slechts enkele plaatsen bieden uitzicht op de zee die zeshonderd meter verderop begint. Aan de overzijde, dichterbij de kust, blijkt nog een camping te zijn met wel een fabuleus uitzicht over Yport, de steile kliffen van de Côte d'Albâtre en de Atlantische oceaan. Nooit had ik kunnen bedenken dat dit uitzicht gepaard zou gaan met een enorm doordringende urinelucht die opstijgt uit het gras en de bosjes. Bij het monumentale pand waar aan de achterzijde rond een oude binnenplaats de sanitaire voorzieningen zijn gelegen, is het uitzicht op zijn mooist, maar de geur het meest penetrant. Zonsondergangen zijn ondragelijk op deze plek.
Op het toilet van de camping staat naast ‘Fuck Holland’ in slecht Frans: ‘Christopher Lorcher d’Yport, je ne cesse pa pensez a toi depuis longtemps, je t’aime.’
We leggen een cordon sanitaire aan en zetten vijftig meter verder in een frisse zeewind de tent op. Daar worden we behalve op een magnifiek uitzicht getrakteerd op een Fransman die takken van de bomen afbreekt om zijn mannelijkheid te bewijzen. Zijn vrouw zit meters bij hem vandaan op een plaid in het zonlicht dat tussen de bomen kiert, maar het is niet de zon die haar van hem verwijderd, blijkt later als hij met dubbele tong haar naam schreeuwt liggend op de achterbank van hun auto. Een gezinnetje dat argeloos een tent naast het ruziënde echtpaar opzet ziet ontsteld hoe er met autodeuren wordt geslagen en de vrouw haar man vruchteloos sissend tot kalmte maant. Waren we maar thuis gebleven, zie ik ze denken, net als ons een illusie armer.
Je kunt in illusies blijven wonen of verwachtingen trotseren door op pad te gaan. Dat laatste heeft nog altijd mijn voorkeur. Zonder urinelucht was het uitzicht vanaf de camping beduidend aangenamer geweest, maar had ik dan een verhaal gehad?
Honderd meter boulevard met vlaggen gemarkeerd, asfalt van deur tot deur om de parkerende medemens te dienen, een ontheemd grasveld aan zee, een houten vlonder waarop een bruidpaar zich laat geselen door een fotograaf, een monsterlijk casino - casino’s horen wanstaltig te zijn - waar op zaterdagavond tijdens de disco elke poging tot toenadering bevriest in de kilte van de architectuur, een apotheek met in de etalage de benen van een paspop tussen een verzameling wandelstokken, twee opengewerkte blusapparaten met hangplanten en kerstversiering in de vorm van een brandweerauto op de blinde muur van de brandweerkazerne, een strandbibliotheek met knaloranje strandstoelen die illegaal door zonaanbidders worden gebruikt, een strandtent die wijn in plastic bekers schenkt waar de zenuweinden op de tong van afsterven, en een uitgestrekt levenloos lavaveld van scherpe rotsen onderaan de steile wanden van de kliffen. Zo zou ik Yport kunnen beschrijven, maar laat ik niet alles in urine drenken. Ik noteer de uitzonderingen op de schoonheid van deze plaats, omdat ik in die uitzonderingen ook esthetiek kan zien, hoe ironisch ik ze ook beschrijf. Het is een wanhopige poging om iets nieuws te ontlokken aan een plek die door vele anderen al is geïnterpreteerd. Lidewij Edelkoort heeft hier een buitenverblijf weet ik uit betrouwbare bron, op een paar honderd meter van de plek waar nu ons tentje staat. Ziet zij wat ik zie in Yport? Ben ik op het geheim van het trend-orakel gestuit? Zijn er trends te herleiden uit het leven van dit zogenaamd aan de moderniteit onttrokken dorp? Liggen ze besloten in de gezichten en de architectuur, klaar om ontdekt te worden door een gevoelig oog, zoals beeldhouwers sculpturen uit marmer of hout kunnen bevrijden die er allang waren?
‘There may have been fogs for centuries in London. I dare say there were. But no one saw them, and so we do not know anything about them. They did not exist ‘till Art had invented them,´ schrijft Oscar Wilde in The Decay of Lying. Onderschat Wilde de intelligentie van de toeschouwer zoals kinderlijk pratende jeugdtheateracteurs door de knieën gaan voor hun jonge publiek? Ook al zijn kunstenaars getrainde kijkers, ik geloof niet dat een ontvankelijke blik is voorbehouden aan artiesten. De interpretatie van het zien, dat is de kunst. Startende studenten op kunstacademies hebben vaak al oog voor dingen, maar zijn niet in staat te onderscheiden wanneer iets kwaliteit heeft en wanneer niet, wanneer een gedachte er werkelijk toe doet en wanneer iets kul is. Pas als je inzicht krijgt in de strategieën die aan kijken ten grondslag liggen kun je echt zien. Daar hebben we dus blijkbaar kunstenaars voor nodig, of anderszins professioneel opgeleide kijkers.
Deze gedachten borrelen op als ik op de boulevard van Yport het eerste bord zie uit een reeks van informatiepanelen over de impressionisten in Normandië, een tocht die dagen later onverwacht zal eindigen bij Delacroix. Émile Schuffenecker, een mindere god van de kunststroming, schildert in 1889 Rochers à Yport. Knap dat hij met dit schilderij een eervolle vermelding op de boulevard heeft gekregen en niet de beroemde Pierre-Auguste Renoir die hier in 1883 Marée basse à Yport schilderde. Gelet op het drama in zijn leven gun ik Schuffenecker de eer. Hij keert zich af van de impressionisten, verliest na een scheiding zijn kunstcollectie met schilderijen van Gauguin, Cézanne en Van Gogh, wordt depressief, trekt zich steeds meer terug in zichzelf, wordt verdacht van het vervalsen van Van Goghs en verdwijnt langzaam in zijn eigen donkere symbolische landschapsschilderijen.
In een negentiende eeuwse aflevering van Baywatch zie ik Schuffenecker mensen redden, turen over zee, een strandwacht voor de minder begiftigde kijker. Misschien leid ik te veel aan beroepsdeformatie als ik bedenkingen heb bij de reproductie van Rochers à Yport op het informatiepaneel als gids voor deze plek, maar als ik zie hoe mensen met een immense leegte in hun ogen op zoek gaan naar de verschillen tussen het paneel en de werkelijkheid, dan zou ik informatiepanelen willen oprichten voor de ijscolikkende toerist wiens gedachten helemaal niet meer bij Yport zijn als hij naar de horizon staart, of voor de verbrandde badgast die zijn huid in impressionistische stijl ziet vervellen, of voor de jongeman die na een avondje stappen in het casino met gebroken hart zijn avondmaal uitkotst op de parkeerwoestijn bij de boulevard, een uiting van lyrisch abstracte kunst.
Op reis speuren we naar hippe kroegjes en winkeltjes in kunstenaarswijken, is kunst een leidende factor om steden te verkennen, maar thuis zijn kunstenaars bovenal lieden die het licht in de ogen niet wordt gegund, mensen die op de pof leven. Ik moet de eerste toerist nog tegen komen die verontwaardigd uitroept dat de informatiepanelen in Normandië die hem cultureel de les lezen van ZIJN belastingcenten zijn betaald.
‘Fin des vacance’ staat er met krijt geschreven op een bord van de kustwacht van Étretat. Restaurants, crêperies en winkeltjes maken zich op voor de dag die komen gaat, straten zijn nog verlaten, stoepen worden geschrobd, vlaggen gehesen, asbakjes op tafeltjes gezet. Ik houd van beloftevolle momenten. Ik houd van de zee, omdat het onmetelijke wateroppervlak het zicht op de overkant ontneemt. Je kunt fantaseren over levens die zich op hetzelfde moment elders voltrekken. Étretat is geen eeuwige belofte meer. Ook hier hebben de impressionisten huisgehouden. Eugène Boudin, Gustave Courbet, Henri Matisse, Claude Monet, ze gingen ons voor. Ook hier staan informatiepanelen. Kust en kunst, het scheelt maar één letter. Guy de Maupassant bracht zijn jeugd door in Étretat. À la recherche du temps perdu van Marcel Proust speelt zich af aan de Normandische kust. In Yport en omgeving heten veel etablissementen, hotels en zelfs crêperies naar De Maupassant. Zou er ook een Nooteboom tapasbar zijn in Andalusië? vraag ik mij af. Bestaat Chinees restaurant Carolijn Visser?
Mijn schildersoog ziet vandaag hoe bovenop de beroemde falaise d'Aval, een natuurlijke boog van kalk, een man alleen wordt gelaten met een damestas. “Houd je mijn tas even vast, dan maak ik een foto,” heeft zijn vrouw tegen hem gezegd om vervolgens uit het zicht te verdwijnen met zijn dochter. Nu staat hij daar voor lul met de tas van zijn vrouw. Denkt hij. Ik zie een prachtig portret, maar mijn compassie voor hem verandert niets aan zijn schaamte.
Het achterland van de kliffen bestaat sinds 1908 uit een uitgestrekt golfterrein. Tijdens de wereldoorlogen en D-Day was dit golfterrein er al. Dat de kogels hier rondvliegen wist ik, maar golfballen… In het centrum van het dorp eten we een chocolade-ijsje. Het geluid van sirenes komt dichterbij. Enkele politieauto’s en een brandweerauto met een reddingsboot erachter rijden met groot alarm richting kust. Het leven valt enkele seconden stil op het plein alsof we met zijn allen poseren voor een onzichtbare artiest.
Er is in deze contreien nog een schilder actief. Hij schildert bootjes rechtstreeks op de ramen van winkels en restaurants. Zijn werk zien we de volgende dag opnieuw in Fécamp.
Het is warm. We parkeren onze Renault tussen alle andere Renaults - de Franse vertaling van automobilist is chauvinist - en lopen weer naar zee. Vandaag heb ik oog voor gympen. Ik zie ze overal in alle kleuren. Een man op leeftijd met knalgroene gympen wordt op gepaste afstand gevolgd door zijn vrouw, grijs haar, dito jurk, de handen gevouwen. Alsof mijn rood-groen kleurenblindheid op de proef wordt gesteld duikt een jongen met knalrode gympen op, zodra de oudere man de hoek om is.
Fécamp, Bord de mer gaf Claude Monet als titel mee aan zijn schilderij van Fécamp dat, jawel, op een informatiebord staat. Op de boulevard is men weer kwistig met beton geweest. Kinderen volgen een golvende blauwe streep die over de promenade kronkelt. Ik weet niet wat ik lelijker vind, deze grafische vertaling van de zee door de Dienst Stadsontwikkeling, of het schilderij van Monet. ‘Door Monet zien we de zee voor het eerst in al zijn facetten,’ beweerde een criticus in zijn tijd.
Een man kruipt onhandig uit een felrode Cabriolet, loopt met vermoeide tred de boulevard op, maakt een foto van een betonnen standbeeld met eeuwig opwaaiende jas, gaat weer naar zijn auto en vertrekt. Dankzij de kunst is hij opgehouden met kijken.
In 1978 schrijft Woody Allen een hilarische parodie op de briefwisseling tussen Vincent en Theo van Gogh getiteld If the Impressionists had been dentists:
‘Dear Theo,
Will life never treat me decently? I am wracked by despair! My head is pounding. Mrs Sol Schwimmer is suing me because I made her bridge as I felt it and not to fit her ridiculous mouth. That's right! I can't work to order like a common tradesman. I decided her bridge should be enormous and billowing and wild, explosive teeth flaring up in every direction like fire! Now she is upset because it won't fit in her mouth! She is so bourgeois and stupid, I want to smash her.’
Woody Allen weet op onovertroffen wijze een belegen kunststroming te revitaliseren. Ook al is iemand hem voor geweest, het deert hem niet, Allen’s stijl is uniek. Door tussenkomst van Allen lijkt de inkt van de brieven die van Gogh aan zijn broer schreef net opgedroogd. En zo weet ik zeker dat niemand de man met de damestas bovenop de kliffen van Étretat heeft gezien, dat geen enkele wandelaar in Fécamp oog heeft gehad voor de fluorescerende gympen en dat niemand eerder Eugène Delacroix met wildplassen in verband heeft gebracht, ook al was hij mij voor op de plaats delict. Een volle blaas brengt mij in contact met Delacroix alsof ik de honderdtachtig jaar geleden aangebrachte verf opnieuw kan ruiken. Op internet vind ik voor negenentwintig euro een reproductie van Chaumière dans un paysage de Normandie. Het lot heeft ons samengebracht.
© Sjaak Langenberg, 2010. Alle rechten voorbehouden. Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden voor persoonlijk gebruik. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
|